Ideologische uitdagingen voor de 21ste eeuw: theoterrorisme en de Moord op Spinoza

De twintigste eeuw kende twee grote ideologische uitdagingen voor de democratische rechtsstaat: enerzijds het communisme (1917-1989) en anderzijds het fascisme of nazisme (1933-1945). Met het vallen van de Berlijnse Muur (1989) leken de ideologische uitdagingen verdwenen en leek het een kwestie van tijd of alle staten zouden liberale democratische rechtsstaten worden. Maar dat viel tegen. De Iraanse Revolutie (1979) vestigde een theocratie als alternatief voor een democratie in een land dat op weg leek naar secularisatie en dit maakte duidelijk dat ook de 21ste eeuw ons voor nieuwe ideologische uitdagingen zou plaatsen. Via een spectaculaire groei van oliekapitaal werd in het Midden-Oosten tot overmaat van ramp een theocratisch alternatief ontwikkeld dat via massa-immigratie en financiering van terrorisme door oliestaten een serieuze bedreiging vormt voor Europa en andere landen. De uitdaging van de 21ste eeuw is het internationaal terrorisme, in het bijzonder het jihadistisch terrorisme.

Volgens de Belgische filosoof Maarten Boudry plegen jihadistische terroristen in hun eigen visie “zinvol geweld”  (in: Lode Lauwaert, red., Filosofie van het geweld,  2017). Hij stelt ook: die religieuze, sacrale waarden en doelstellingen van het jihadisme zijn nog gevaarlijker en haatdragender dan het nazisme.

Paul Cliteur stelt dat de religieuze dimensie van het jihadistisch terrorisme om strategische redenen wordt ontkend. Politici weten niet goed raad met het thema en dan is het altijd veilig om de oorzaak van het terrorisme te zoeken bij gebrekkige scholing, sociaal onrecht en falende politiek. Niettemin kan moeilijk worden ontkend dat het jihadistisch terrorisme werkelijk iets te maken heeft met de wereldbeschouwing of de ideologie van de jihadist. Jihadisme is een vorm van “theoterrorisme”: terrorisme gebaseerd op een godsdienstige, ideologische of wereldbeschouwelijke overtuiging, zoals Cliteur schrijft in “De grondslagen van het theoterrorisme” (in: Lode Lauwaert, red., Filosofie van het geweld,  2017) en ook in In Naam van God (samen met Dirk Verhofstadt). De zogenaamde heilige boeken van de grote monotheïstische godsdiensten bevatten aansporingen tot geweld, ook om andersdenkenden te doden.

Het is belangrijk dit te constateren, want het betekent dat contraterrorisme ook een culturele component moet hebben. Het opsporen, vervolgen en berechten van terroristen (hoewel noodzakelijk) is niet genoeg. Men zal ook aan preventie van terrorisme moeten doen en dat betekent een culturele confrontatie met de ideologie die terroristen bezielt: cultural counterterrorism. Onderdeel van dat cultureel contraterrorisme is het opnieuw stimuleren van de waarden van de Verlichting en moderniteit. Omdat Spinoza het symbool is van de Verlichting, een erfgoed dat onder druk staat, kan men spreken van de Moord op Spinoza.

Op 10 mei zullen Cliteur en Van der Blom aspecten van deze diagnose bespreken, met name aan de hand van de bijdrage van Dirk van der Blom aan Moord op Spinoza.